De vorm stuurt geur schuim en drinktempo. Een tulpglas heeft een bolle kelk en een iets gesloten rand. Die vernauwing bundelt vluchtige geuren bij je neus. Hierdoor proef je hop en fruit vaak duidelijker, terwijl een open mondrand het bier sneller laat opwarmen.
Een pilsglas is meestal slanker en rechter. De lange wand laat koolzuurbelletjes goed zien. Een nucleatiepunt op de bodem stimuleert voortdurend nieuwe belletjes in het bier. Bij een weizen- of witbierglas biedt de brede bovenkant extra ruimte voor een dikke schuimkraag, zodat schuim bij het inschenken minder snel buiten het glas komt en je rustiger kunt schenken.
Proefglazen zijn kleiner en helpen porties beheersen. Ze passen goed bij sterk bier met veel smaak. Een bokaal heeft vaak een korte steel, waardoor je hand het bier minder snel opwarmt tijdens lang proeven. Wil je een gedekte tafel formeler maken, dan past een glazen voet goed bij andere dranken.