Het vermogen van een boormachine bepaal je niet aan de hand van het opschrift op de doos, maar aan de klus die je ermee doet: dikke stalen platen en groot boorwerk in hardhout vragen om meer kracht en een stabielere motor dan een paar schroeven in gipsplaat. Let vooral op de koppelinstelling: met een lage stand draai je schroeven strak zonder de kop door te draaien of het materiaal te beschadigen, met de aparte boorstand zet je de volle kracht in voor gaten boren.
De boorhouder, ook spankop genoemd, bepaalt welke boren en bits passen. Een snelspanhouder wissel je met de hand, zonder sleutel, handig als je vaak wisselt tussen boren en schroefbits. Een tandkranshouder klemt steviger vast bij grotere of dikkere boren, maar daar heb je een sleuteltje bij nodig. Bij SDS-machines zit er geen klassieke spankop op: de boor klikt vast in een speciale opname, wat sneller wisselen mogelijk maakt en de klopenergie beter overbrengt.
Het toerental regel je met de druk op de trekker, en veel machines hebben daarnaast een mechanische snelheidskeuze: laag toerental met hoog koppel voor boren in hard materiaal en voor schroeven, hoog toerental voor snel boren in zacht materiaal zoals hout. De omkeerfunctie gebruik je niet alleen om schroeven los te draaien, maar ook om een vastgelopen boor rustig terug te trekken uit het gat.