Capaciteit en opvoerhoogte bepalen samen de werkelijke afvoer. Capaciteit geeft aan hoeveel water een pomp per uur kan verplaatsen. De opgegeven waarde geldt meestal bij een lage opvoerhoogte. In de praktijk zakt de opbrengst zodra water hoger moet.
Meet eerst het hoogteverschil vanaf het wateroppervlak tot het uitlooppunt. Tel ook weerstand van lange slangen en bochten mee. Een smalle slang remt de stroming merkbaar af. Kies daarom een model waarvan de capaciteit bij jouw opvoerhoogte nog past.
Een diepe put vraagt meer druk. Een lange persleiding vraagt eveneens extra reserve. Fabrikanten tonen vaak een capaciteitcurve, die laat zien hoeveel opbrengst overblijft bij verschillende hoogtes en dus beter vergelijkbaar is dan alleen de maximale waarde. Een te zware pomp kan een kleine put sneller leegtrekken dan de instroom aanvult.
Controleer ook de maximale dompeldiepte. Die geeft aan hoe diep de behuizing veilig mag werken. Een passende capaciteit voorkomt lang draaien, terwijl voldoende opvoerhoogte voorkomt dat het water in de leiding blijft staan. Dat bespaart onnodige starts.