De juiste aderdoorsnede beperkt warmteontwikkeling en spanningsverlies. De stroomsterkte, kabellengte en aanlegwijze bepalen samen welke maat veilig blijft. Een te dunne ader warmt op. Daardoor kan de isolatie sneller verouderen bij langdurige belasting. Voor vaste huisinstallaties komen 1,5 mm² en 2,5 mm² veel voor, al bepaalt NEN 1010 de toegestane toepassing. Ook de toegestane buigradius voorkomt schade tijdens het trekken door een buis.
De opgegeven doorsnede beschrijft het koperoppervlak per ader en niet de buitendiameter van de kabel. Controleer daarom ook de aderopbouw en het aantal aders. Een kabel met geelgroene ader is bedoeld voor de beschermingsleiding. Meerdere dunne aders vragen andere klemmen dan één stijve kern.
Gebruik kleurcodes nooit als enig bewijs, want oude installaties kunnen afwijkende kleuren hebben. Bij lange trajecten kan een grotere doorsnede nodig zijn, omdat spanningsverlies met de lengte groeit en apparaten aan het einde van een belast circuit daardoor minder stabiel werken kunnen. Merkspecificaties zoals die van LAPP-elektriciteitsleidingen vermelden vaak aderopbouw en temperatuurbereik. Laat twijfel over berekeningen beoordelen door een vakbekwame installateur.