Specificaties laten zien hoeveel detail en functies je kunt verwachten. Een vectorkaart bestaat uit losse kaartobjecten die de software kan doorzoeken en schalen. Een rasterkaart is juist een vast kaartbeeld dat bij ver inzoomen minder scherp kan worden. Beide typen hebben een eigen toepassing.
Routeberekening vraagt meer dan een zichtbare weg op de kaart. De software moet wegtypen, richtingen en toegangsbeperkingen als bruikbare gegevens bevatten. Kaartlagen kunnen extra informatie tonen, zoals hoogtegegevens, fietspaden of voorzieningen. Zet alleen lagen aan die je onderweg nodig hebt.
Contourlijnen maken hoogteverschillen leesbaar op topografische kaarten. Dicht opeenstaande lijnen wijzen meestal op een steile helling. Een kaart met veel detail gebruikt vaak meer opslagruimte en kan op oudere apparaten trager tekenen.
Controleer ook het gebruikte kaartdatum bij bestaande coördinaten. Een ander referentiesysteem kan een waypoint op een verkeerde plek weergeven. Kies bij voorkeur software waarin je kaartdatum, coördinaatnotatie en zichtbare eenheden kunt controleren. Dat geeft minder fouten bij het overnemen van routepunten.