Handwerkvezels kies je eerst op basis van de bewerking. Voor haken, breien en borduren heb je meestal draadgaren. Dat bestaat uit getwijnde strengen met een gelijkmatige dikte. De vezelsoort beïnvloedt grip, rek en het uiteindelijke oppervlak. Daarmee voorkom je teleurstelling.
Voor sieraden werkt koord vaak beter dan zacht garen. Koord is steviger en knopen verschuiven minder snel. Gebruik ongesponnen vezel wanneer je wilt vilten of een wollig reliëf zoekt. Die losse vezels haken in elkaar door wrijving, vocht of een viltnaald. Metalen draad vraagt weer een andere techniek. Bij draad bepaalt hardheid of een gebogen vorm blijft staan, terwijl de diameter het buigen stuurt en de coating slijtage bij kleine sieraden na veelvuldig gebruik in de afwerking beperkt.