Het benodigde vermogen volgt uit de massa van het werkstuk. Dunne draden warmen snel op en verdragen geen langdurige verhitting. Een zware kabelschoen voert opgeslagen warmte snel af. Daarom is meer warmteaanvoer nodig.
Bij weerstandspistolen zegt wattage vooral iets over opwarmsnelheid en warmtereserve, zodat een dikke aansluiting niet steeds afkoelt. Temperatuurregeling beperkt oververhitting van gevoelige onderdelen en houdt de punt beter bruikbaar. Dat beschermt printbanen. Een lage instelling is niet altijd veiliger, want lang verwarmen kan isolatie en componenten alsnog beschadigen.
Bij draadlassen bepalen stroomsterkte en draaddiameter samen de warmte-inbreng. Bij draadlassen moeten stroomsterkte en draaddiameter op elkaar aansluiten, omdat een verkeerde instelling de boog onrustig maakt en de las op wisselende plaatdiktes minder diep laat inbranden dan bedoeld. De draadaanvoer beïnvloedt vervolgens de neersmeltsnelheid van het materiaal.