De behuizing bepaalt montagewijze en beschikbare ruimte op de printplaat. DIP-behuizingen hebben pennen die je door gaten in een print steekt. SMD-behuizingen vragen solderen op het oppervlak van de print. Dat werkt compacter.
Controleer daarna de voedingsspanning van de kern en de in- en uitgangen. Veel modellen werken op 1,8, 3,3 of 5 volt, terwijl sensoren en modules soms een ander niveau vragen. Een verkeerde logicaspanning kan ingangen beschadigen of onbetrouwbare signalen veroorzaken. Gebruik zo nodig niveauomzetters.
Let ook op de maximale stroom per pen en per poort, want leds of relais vragen vaak meer dan een uitgang veilig levert. Voor het schakelen van zwaardere belastingen zijn transistoren meestal geschikter. Lees het datablad, omdat limieten voor chipstroom en warmteafvoer samen bepalen hoeveel uitgangen bij langdurige belasting gelijktijdig veilig stroom kunnen leveren zonder de toegestane junctietemperatuur tijdens gebruik te overschrijden. Die marges beschermen de chip.