Veilig rijden begint met correct gemonteerde banden. De draairichting op de zijwand moet overeenkomen met het wiel. Laat montage bij voorkeur uitvoeren door iemand met geschikt gereedschap, omdat velg en band daarbij niet mogen beschadigen. Nieuwe banden vragen rustig inrijden.
Het gladde loopvlak krijgt pas volledige grip nadat het productiemiddel en de eerste oppervlaktelaag zijn verdwenen. Rijd de eerste kilometers geleidelijk. Vermijd harde acceleraties en diepe hellingshoeken totdat je het gedrag betrouwbaar kent. Controleer na montage bandenspanning en ventieldop, want een slecht afsluitend ventiel veroorzaakt langzaam drukverlies.
Vervang een band bij zichtbare scheuren, uitstulpingen of een beschadigd karkas, omdat zulke schade de sterkte van de band kan aantasten. De slijtage-indicator geeft houvast. Onder de wettelijke profieldiepte van 1,0 millimeter mag je op openbare wegen niet meer rijden. Rubber veroudert na vele maanden stilstand, waardoor grip bij lage temperaturen kan afnemen en het karkas tijdens langdurige opslag merkbaar minder veerkrachtig wordt in een onverwarmde garage zonder regelmatige beweging.