De juiste maat geeft je schouders voldoende bewegingsruimte. De binnendiameter bepaalt hoeveel plaats je hand binnen de ring krijgt. Veel trainingsringen hebben een binnendiameter rond 18 centimeter. Meet je handbreedte bij twijfel over de beschikbare ruimte. Dat voorkomt knellen.
Ook de afstand tussen de ringen verdient aandacht, omdat een te brede stand je schouders naar buiten trekt. Bij veel turntoestellen ligt die hart-op-hartafstand rond 50 centimeter, zodat je armen tijdens hangen en steunwerk ongeveer schouderbreed blijven en je niet steeds je positie hoeft te corrigeren. Stel beide banden altijd even lang af. Een klein hoogteverschil verdraait je houding en maakt symmetrisch oefenen lastiger.
De ophanghoogte bepaalt welke oefeningen veilig binnen je ruimte passen. Voor laag hangen en roeibewegingen volstaat een lager punt vaak. Zwaaien vraagt meer hoogte, omdat voeten en romp een ruime boog maken. Hang daarom eerst proef zonder snelheid, waarna je de vrije ruimte boven en onder je controleert.