Windsnelheidsmeters verschillen vooral in meetprincipe en beoogde montageplek. Een schoepenmodel registreert rotatie, terwijl een thermische sensor reageert op afkoeling door bewegende lucht. De juiste keuze volgt dus uit de luchtstroom die je werkelijk wilt beoordelen.
Handmodellen passen bij tijdelijke controles op locatie. Vaste sensoren zijn logischer wanneer je dezelfde meetplek langdurig vergelijkt. Voor weerwaarneming kan een weerstation met buitensensor beter passen, omdat dat meestal meerdere weerswaarden rond één locatie bundelt.
Let ook op de meetrichting, want lucht die schuin instroomt kan een andere waarde geven dan een recht gerichte stroming. Bescherming tegen regen of stof bepaalt mede waar je de behuizing veilig monteert. Een klein meetelement reageert vaak sneller, terwijl een robuuste constructie beter bestand kan zijn tegen vaste opstelling buiten. Vergelijk daarom steeds toepassing, montageplek en gewenste aflezing voordat je op een type filtert.
Gebruik een vaste opstelling alleen wanneer de fabrikant die montagevorm voor de sensor en de gekozen meetomgeving volledig praktisch ondersteunt. Los meten toont plaatselijke wind. Dat voorkomt verkeerde vergelijkingen later.