Kies je vooral voor schoonmaakmiddelen, dan helpen twee eigenschappen je snel afstemmen. Let op het toepassingsdoel, zoals algemeen reinigen of specifiek gebruik, en op de manier van doseren of aanbrengen. Ook de werking tegen soorten vuil verschilt per type, bijvoorbeeld vet, vegen of aangekoekt vuil.
Ga je richting apparaten, dan veranderen de afwegingen meteen. Bij een stofzuiger vergelijk je onder andere zuigkrachtregulatie en mondstukken voor verschillende ondergronden, plus het filtertype voor fijnstof. Bij een stoomreiniger tellen vooral de stoomafgifte, opwarmmoment en manier van opzetstukken mee, omdat dat bepaalt hoeveel stoom je inzet op tegels of voegen.
Strijken en drogen vraagt weer om andere kenmerken. Bij strijksystemen let je op strijkzool of persvlak en op stoomvoorziening, omdat dat invloed heeft op kreukherstel. Bij wasdrogers kijk je naar droogprogramma’s en instellingen die passen bij stoffen, zodat je niet steeds opnieuw moet afstellen.