De emissiviteitsinstelling maakt temperatuurmetingen op veel materialen betrouwbaarder in de praktijk. Emissiviteit beschrijft hoeveel infrarode straling een oppervlak uitzendt. Matte en donkere materialen geven vaak een voorspelbaarder signaal dan blank metaal. Glans kan omgevingsstraling weerspiegelen, waardoor het scherm een temperatuur toont die niet van het materiaal zelf komt.
Veel meters starten met een vaste waarde van 0,95. Dat werkt vaak goed. Bij geverfde wanden, hout en matte kunststof is die instelling meestal bruikbaar voor vergelijkende controles. Glanzend metaal vraagt een andere aanpak, omdat reflecties daar de aflezing sterker kunnen verstoren.
Plak zo nodig een stuk matte tape op het oppervlak. Meet daarna op die tape. Laat de tape eerst dezelfde temperatuur aannemen, anders meet je vooral het verschil tussen tape en materiaal. Gebruik bij twijfel een contactmeter als referentie, want daarmee toets je onder dezelfde omstandigheden of de infraroodwaarde voor jouw materiaal tijdens een herhaalde controle geloofwaardig blijft in de praktijk op locatie. Wie naast oppervlaktemperatuur ook binnenlucht wil volgen, kan beter naar meters voor luchtkwaliteit kijken.