Een panfluit kies je vooral op stemming en bereik. De buislengte bepaalt de laagste toon. Een korte reeks past bij eenvoudige melodieën en een beperkte handspanne. Langere reeksen geven meer noten, waardoor je tijdens het spelen minder snel tegen grenzen van een lied aanloopt.
Kijk eerst naar de grondtoon en het aantal buizen. Veel lesmateriaal vertrekt vanuit een C-stemming. Een instrument met chromatische extra buizen biedt meer halve tonen, maar vraagt ook nauwkeuriger oriëntatie tijdens het wisselen. Stem je repertoire af op die indeling.
Beginners profiteren vaak van een overzichtelijke diatonische opbouw. Je leert dan de blaasrichting beheersen voordat ingewikkelde toonladders je aandacht verdelen. Wie vooral volksmelodieën speelt, heeft meestal genoeg aan een beperkt bereik, terwijl arrangementen met modulaties baat hebben bij meer buizen. Een passende indeling voorkomt frustratie.