Schaafbreedte en spaandiepte bepalen je werktempo direct. Een handschaaf heeft vaak een schaafbreedte rond 82 mm. Daarmee bewerk je kozijnen, deurkanten en kleinere balken goed. Bij brede planken kost een smalle machine meer banen, waardoor kleine hoogteverschillen tussen de gangen sneller zichtbaar worden. Meet deuren en balken vooraf met een rechte lat.
Stel de spaandiepte voor de eerste gang laag in. Een stand van 0,5 tot 1 mm geeft meestal meer controle dan een diepe afname. Hardhout, noesten en kopshout vragen om dunne spaanders, omdat de messen anders kunnen happen of vezels kunnen lostrekken.
Bij veel materiaalverlies werkt een reeks ondiepe gangen gelijkmatiger, terwijl de motor minder wordt belast en het oppervlak rustiger blijft op lange zichtkanten waar elke ribbel later zichtbaar blijft. Gebruik meethulpmiddelen en sensoren om vlakheid te controleren voordat je een laatste fijne gang maakt.