De diersoort bepaalt welk veeteeltmateriaal bruikbaar is in de praktijk. Runderen, schapen, geiten en pluimvee verschillen sterk in lichaamsbouw en eetgedrag. Jonge dieren vragen vaak kleinere openingen. Huisvesting bepaalt vervolgens welke materialen bestand moeten zijn tegen mest, vocht en intensief reinigen.
Bij voeren maakt de voersoort veel verschil, omdat ruwvoer anders wordt aangeboden dan korrels of meel. Ruwvoer blijft langer bereikbaar in een rek. Krachtvoer vraagt een bak die morsen beperkt. Voor rantsoenen en voersamenstellingen kun je gericht verder bij veevoer.
Kijk ook naar groepsgrootte en rangorde binnen de koppel. Een smalle toegang leidt sneller tot verdringing wanneer meerdere dieren tegelijk willen eten. Plaats daarom voldoende eetpunten op rustige plekken met overzicht. Materiaal dat voor één diersoort veilig is kan bij een andere groep knellen, omvallen of lastig schoon te houden zijn door verschillen in kopvorm en voerwijze tijdens dagelijks gebruik.