Een cello kies je eerst op lichaamsmaat en speelniveau. Een verkeerde maat belemmert je houding. Volwassen spelers gebruiken meestal een 4/4-model, terwijl kinderen vaak beginnen met 1/8, 1/4 of 1/2. De lichaamslengte en armlengte geven samen een beter vertrekpunt dan alleen leeftijd.
Meet zittend vanaf je hals tot in je handpalm. De mensuur bepaalt de snaarlengte, waardoor een kleiner model minder rek vraagt van je linkerhand bij snelle positiewisselingen. Een docent kan dit snel beoordelen. Probeer ook de afstand naar de eerste positie, want die voel je tijdens elke toonladder.
Een 7/8-cello past soms beter bij kleinere volwassenen. Dat formaat klinkt nog vol. Wie vooral orkest speelt, wil meestal een standaardmaat die goed mengt met andere celli. Voor een hogere ligging en lichtere klank kun je altviolen vergelijken, al vragen die een andere techniek.