Specificaties bepalen of signalen en motoren betrouwbaar samenwerken. Tel eerst alle digitale en analoge signalen die je installatie moet verwerken. Digitale ingangen herkennen meestal een aan- of uitsignaal van een sensor. Analoge signalen vragen een ingang met het juiste meetbereik.
Uitgangen leveren het signaal voor relais, ventielen of andere verbruikers. Relaisuitgangen kunnen verschillende lasten schakelen. Transistoruitgangen reageren vaak sneller bij gelijkstroomsignalen. Een verkeerd uitgangstype beperkt de bruikbaarheid van je besturing.
Bij frequentieregelaars moeten netspanning, motorstroom en het gewenste toerental bij elkaar passen. Controleer ook of de motor geschikt is voor regeling met een frequentieregelaar. Een regelaar met voldoende overbelasting kan tijdelijke pieken opvangen, waardoor de motor bij een zware start niet meteen stopt. Dat voorkomt uitval.