Laboratoriumapparatuur kies je op basis van de handeling. Observeren van kleine structuren vraagt om optiek, terwijl scheiden juist rotatie gebruikt. Verwarmen of mengen stelt weer andere eisen aan controle en veiligheid.
Begin daarom bij je monster en je beoogde resultaat. Voor cellen, kristallen of preparaten is een microscoop de logische richting. Let daarbij goed op vergroting, verlichting en beschikbare objectieven.
Een apparaat met veel losse functies helpt niet altijd. Een eenvoudige opstelling werkt beter wanneer je steeds dezelfde handeling uitvoert. Wisselende proefopzetten vragen eerder om instelbare snelheid, temperatuur of tijd.
Bepaal ook wie het apparaat bedient. In onderwijsruimtes tellen afscherming en duidelijke bediening zwaar mee, terwijl onderzoek vaak meer vraagt van reproduceerbare instellingen, documentatie en een stabiele werkwijze bij terugkerende metingen door verschillende gebruikers binnen teams. Kies dus eerst de bewerking, daarna pas vermogen en extra functies. Daarmee voorkom je dat een indrukwekkende specificatie niet aansluit op je dagelijkse werk.